Cookies
Essentieel
Analyse
Om deze website te verbeteren maken we gebruik van (anonieme) cookies. Bekijk ons privacy statement voor meer informatie
Privacy Instellingen

De voorgenomen wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 in 8 vragen

Het doel van de Natuurschoonwet 1928 (hierna: NSW) is om door middel van fiscale faciliteiten te stimuleren dat eigenaren van landgoederen het landgoed in stand houden en daarmee een bijdrage leveren aan het behoud van het natuurschoon. Onder de NSW hangt het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (hierna: Rangschikkingsbesluit). Het Rangschikkingsbesluit bevat de voorwaarden waaraan landgoederen moeten voldoen om te kunnen worden aangemerkt als een NSW-landgoed. Het Rangschikkingsbesluit zal worden gewijzigd. In dit blogbericht bespreken wij aan de hand van 8 vragen de belangrijkste wijzigingen.

1. Wat is de aanleiding voor de wijziging?
Aanleiding voor deze wijziging zijn de evaluatie van de NSW en de Kabinetsreactie daarop. Op hoofdlijnen luidden de conclusies als volgt: de NSW is van groot belang voor de instandhouding van landgoederen en daarmee voor behoud van het natuurschoon op die landgoederen. Tegelijkertijd zou de effectiviteit van de NSW kunnen worden verbeterd. Tot slot bestaat in het bijzonder aandacht voor de mate waarin golfbanen bijdragen aan natuurschoon (waarbij golfbanen die deel uitmaken van een groter landgoed, vaak meer natuurschoon bieden dan golfbanen die dat niet doen).

2. Wat is het doel van de wijziging?
Het Rangschikkingsbesluit wordt gewijzigd om de doelstellingen van de NSW op onderdelen effectiever en efficiënter te realiseren. Deze doelstellingen zijn gericht op behoud van het natuurschoon op landgoederen door stimulering van onversnipperd eigendom, bevordering van de openstelling van landgoederen voor het publiek en de stimulering van de ontwikkeling en het beheer van natuur en bos op landgoederen.

3. Wat betekent dit voor golfbanen die onderdeel zijn van een landgoed?
Bij de evaluatie van de NSW bestond in het bijzonder aandacht voor golfbanen die onderdeel zijn van een landgoed, en dan met name met betrekking tot de oppervlaktevereisten van houtopstanden of natuurterreinen. Betwijfeld wordt of alle golfbanen in voldoende mate bijdragen aan natuurschoon.

De wijziging houdt in dat landgoederen met één of meer golfbanen uitsluitend in aanmerking komen voor rangschikking, indien de oppervlakte van iedere golfbaan voor ten minste 50 procent is bezet met natuurterreinen of houtopstanden (in ieder geval de holes, de roughs en eventueel de rangschikbare functionele opstallen en parkeerterreinen). Voor het overige deel van de onroerende zaak blijft de eis gelden dat ten minste 30 procent bezet is met houtopstanden of natuurterreinen.

De 50%-eis is overigens specifiek bedoeld voor ‘stand alone’ golfbanen en golfbanen die deel uitmaken van een groter landgoed. Voor het gedeelte van het landgoed dat niet als golfbaan wordt aangemerkt, geldt de reguliere 30%-eis. Let wel, het is niet mogelijk om delen van de baan buiten de rangschikking te houden om aan de 50% eis te voldoen.

4. Wat betekent dit voor landbouwgronden?

Omzetten landbouwgronden in natuur
De mogelijkheid om landbouwgronden te rangschikken die overeenkomstig een natuurinrichtingsplan nog moeten worden ontwikkeld tot natuurterrein komt te vervallen, omdat de overeenkomstig een natuurinrichtingsplan gerealiseerde natuur niet in alle gevallen optimaal is in termen van kwantiteit en kwaliteit of inpassing in het landschap. De natuur moet kortom eerst worden gerealiseerd, waarna rangschikking mogelijk wordt (en de eigenaar in aanmerking kan komen voor fiscale faciliteiten).

Omzoming van landbouwgronden
Voor bepaalde landschappen, in het bijzonder waardevolle open (cultuur)landschappen, is de verplichte omzoming van landbouwgronden met houtopstanden verruimd met de mogelijkheid om de omzoming te realiseren in de vorm van natuurterreinen (minimaal 5 meter breed). Hiermee komt het kabinet tegemoet aan de aanbeveling uit de evaluatie om de omzomingseisen af te stemmen op het landschapstype. Denk hierbij aan een open veenweidelandschap waarin omzoming door natuurterrein beter past bij de beeldkwaliteit dan omzoming door bomen of bosschages.

Overigens is omzoming van landbouwgronden met natuurterreinen alleen mogelijk bij landbouwterreinen met een maximale oppervlakte van 5 hectare, ook bij landgoederen groter dan 100 hectare. Er kan dus, bij landgoederen groter dan 100 ha, een kleinere oppervlakte aan landbouwgrond worden omzoomd met natuur dan met houtopstanden. De regel met betrekking tot twee aan elkaar grenzende landbouwterreinen blijft bestaan, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van deze terreinen maximaal 10 hectare mag bedragen bij omzoming met natuur.

5. Wat wordt nog meer gewijzigd?

Definitie van buitenplaats
In de huidige definitie van buitenplaats is het criterium opgenomen dat een historische tuin of historisch park vóór 1850 moet zijn aangelegd. Dit wordt vóór 1900 (in de periode 1850-1900 zijn namelijk ook buitenplaatsen aangelegd die kunnen worden beschouwd als historisch).

Te rangschikken opstallen
In artikel 3 lid 5 Rangschikkingsbesluit is geregeld hoe – kort gezegd – opstallen deel kunnen uitmaken van een landgoed (kleiner dan 5 hectare). Een van de voorwaarden was dat zo’n opstal vóór 1 januari 1940 gebouwd moest zijn. Die datum wordt veranderd in 1 januari 1950. Een andere verandering is, dat deze bepaling ook zal gelden voor buitenplaatsen kleiner dan 5 hectare. Dat betekent dat op die buitenplaatsen niet langer alle opstallen gerangschikt kunnen worden (en blijven), maar alleen die van vóór 1 januari 1950.

Definitie van natuurterreinen
In het gewijzigde Rangschikkingsbesluit zal worden verwezen naar een ministeriële regeling, waarin de natuurtypen en landschapselementen worden aangewezen die vallen onder het begrip “natuurterreinen”. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de Index Natuur en Landschap (vastgesteld door de twaalf provincies als onderdeel van hun subsidieregelingen voor natuur- en landschapsbeheer). Een natuurterrein moet in ieder geval minstens zelfstandig, of gezamenlijk met direct aangrenzende houtopstanden, 0,5 hectare groot zijn.

Voorwaarden gezamenlijke rangschikking
Hiermee wordt gedoeld op de aanleunrangschikking en de samenwerkingsrangschikking, waarvan de voorwaarden worden veranderd. In het vernieuwde Rangschikkingsbesluit zal een eis worden opgenomen dat de oppervlakte van een landgoed tussen de 1 en 5 hectare, voor ten minste 50 procent moet zijn bezet met houtopstanden of natuurterreinen, omdat uit de evaluatie is gebleken dat deze categorie landgoederen een relatief kleine bijdrage levert aan het natuurschoon. Met het opnemen van deze eis wordt gewaarborgd dat deze landgoederen daadwerkelijk een bijdrage leveren aan het natuurschoon.

De wijziging van het Rangschikkingsbesluit betekent bovendien dat aanleunrangschikkingen voor landgoederen kleiner dan 1 hectare alleen nog mogelijk zal zijn voor – kort gezegd – erfpachters en vruchtgebruikers. De eigenaar van het aangrenzende “hoofdlandgoed”, zo is de gedachte, kan eisen stellen aan (de mate van) het onderhoud en de uiterlijke karakteristieken van het “aanleunende” landgoed. Zo zijn behoud en beheer van die landgoederen, hoewel kleiner dan 1 hectare, toch goed gewaarborgd.

Minimale omvang natuur
Natuur op nieuwe en bestaande landgoederen moet voldoende substantie hebben (zowel in kwaliteit als in kwantiteit) om een bijdrage te kunnen leveren aan het natuurschoon op landgoederen. Met dit besluit is als eis opgenomen dat natuur een aaneengesloten oppervlakte van minimaal 0,5 hectare omvat. Daarmee moet gewaarborgd worden dat de aanwezige natuur voldoende robuust is om te voldoen aan de doelstelling van de NSW.

Kampeerterreinen
In artikel 6 Rangschikkingsbesluit is bepaald dat kampeerterreinen onder bepaalde voorwaarden zijn toegestaan, omdat deze vorm van gebruik geen inbreuk maakt op het natuurschoon. Het komt voor dat landgoederen worden gesplitst om meerdere kampeerterreinen of omvangrijkere kampeerterreinen mee te kunnen rangschikken. Om te voorkomen dat het doel van de NSW – om versnippering van landgoederen te voorkomen – wordt ondergraven, moeten kampeerterreinen zodanig goed opgenomen worden in het landschap dat er geen sprake is van verstoring van de natuurbeleving. De grootte van, en het aantal, kampeerterreinen zijn gerelateerd aan de totale oppervlakte van het landgoed. Als inbreuk maken op het natuurschoon, wordt in ieder geval niet beschouwd één kampeerterrein per 25 hectare (in plaats van voorheen één per 25 hectare, twee per 100 hectare en 3 per 250 hectare).

Gerangschikt buitenlands landgoed
Een in het buitenland gelegen landgoed kan onder de NSW worden gerangschikt, mits dit landgoed onderdeel vormt van het Nederlands cultureel erfgoed. Specifiek gezegd, moet het gaan om een landgoed in een EU-lidstaat of in een staat waarmee Nederland een regeling is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen. De voorwaarden voor rangschikking van zo’n landgoed worden in het nieuwe Rangschikkingsbesluit zelf opgenomen (in plaats van in het zogenoemde Beleidsbesluit van 8 september 2015), in artikel 2a. De betreffende onroerende zaak moet kort gezegd cultuurhistorische waarde hebben, of architectonische en kunsthistorische waarde.

Verduidelijking “inbreuk”
In artikel 4 Rangschikkingsbesluit wordt verduidelijkt wat wordt bedoeld met “inbreuk”. Dit artikel somt omstandigheden op die inbreuk maken op het natuurschoon. Met deze wijziging wordt duidelijk gemaakt dat deze omstandigheden ook zien op de inrichting en het gebruik van de opstallen die zich bevinden op de terreinen die tot de onroerende zaak behoren, en niet langer alleen op de inrichting en het gebruik van de terreinen.

Padlengte
Voortaan moet, naast de ligging van wegen en paden en de locatie van toegangsborden, ook de totale padlengte worden vermeld op de openstellingskaart van het landgoed.

6. Wanneer treedt de wijziging in werking?
De beoogde datum waarop het nieuwe Rangschikkingsbesluit in werking treedt, is 1 januari 2021. In het Staatsblad (2020, 331) is de definitieve tekst van de wijzigingen gepubliceerd, inclusief de Nota van Toelichting.

7. Wat betekent dit voor bestaande landgoederen (overgangsrecht)?
Met de wijziging van het Rangschikkingsbesluit gaat een overgangsperiode gepaard van 10 jaar na inwerkingtreding daarvan. Deze overgangsperiode geldt voor landgoederen die al gerangschikt waren vóór de inwerkingtreding van dit besluit en voor landgoederen waarvoor vóór inwerkingtreding van dit besluit een verzoek tot rangschikking is ingediend. Het overgangsrecht geldt overigens niet voor nieuwe eigenaren, behalve wanneer het landgoed of een deel ervan is verkregen door vererving. Bij schenking vervalt het overgangsrecht dus wel. Ook vervalt het overgangsrecht vanaf het moment dat een perceel wordt toegevoegd aan het landgoed of wanneer het landgoed niet meer voldoet aan de voorwaarden uit het Rangschikkingsbesluit zoals deze luiden op 31 december 2020.

Eigenaren van landgoederen die niet voldoen aan het nieuwe Rangschikkingsbesluit staan voor een keuze. Zij kunnen of het landgoed in huidige vorm tot uiterlijk 1 januari 2031 aangemerkt houden als een NSW-landgoed dat nog voldoet aan de voorwaarden zoals deze luiden op 31 december 2020. Of zij kunnen besluiten om vóór 1 januari 2031 een wijziging op het landgoed door te voeren, zodat het aangepaste landgoed voldoet aan het Rangschikkingsbesluit zoals dit luidt vanaf 1 januari 2021.

8. Is het nu verstandig om nog vóór of juist na 1 januari 2021 een rangschikkingsverzoek in te dienen?
De wijziging van het Rangschikkingsbesluit kan tot slot ook aanleiding zijn om, afhankelijk van de precieze situatie en omstandigheden van het geval, te overwegen of het verstandig is om nog vóór 1 januari 2021 een rangschikkingsverzoek in te dienen, of juist na die datum.

Wij kunnen ons voorstellen dat het in de volgende gevallen interessant kan zijn om vóór 1 januari 2021 een rangschikkingsverzoek in te dienen:

  • ontwikkelingen waarbij landbouwgrond wordt omgezet in natuur, waarbij die natuur niet (volledig) gerealiseerd zal zijn op het moment van rangschikking;
  • aanleunrangschikkingen voor landgoederen met een oppervlakte tussen 1 en 5 hectare met minder dan 50% houtopstanden of natuur;
  • aanleunrangschikkingen voor landgoederen kleiner dan 1 hectare, door anderen dan erfpachters en vruchtgebruikers;
  • de rangschikking van buitenplaatsen, die kleiner zijn dan 5 hectare met opstallen die niet (allemaal) vóór 1 januari 1950 zijn gebouwd;
  • golfbanen waar het niet mogelijk (of gemakkelijk) zal zijn om natuurterrein of houtopstanden te realiseren op minstens 50% van de oppervlakte.

Voor de goede orde merken wij op dat dit keuzes zijn om wel of geen gebruik te maken van het overgangsrecht dat het nieuwe Rangschikkingsbesluit bevat. Anders gezegd, een rangschikking op basis van een verzoek van vóór 1 januari 2021, geldt slechts voor maximaal 10 jaar.

Daarentegen kan in andere gevallen juist nog even worden gewacht met het indienen van een rangschikkingsverzoek. Een voor de hand liggend voorbeeld is het rangschikken van landbouwgronden, die men wil omzomen met natuurterrein in plaats van met houtopstanden. Bovendien biedt het nieuwe Rangschikkingsbesluit meer ruimte voor kampeerterreinen op landgoederen.

Bent u benieuwd naar de gevolgen van het gewijzigde Rangschikkingsbesluit voor uw (toekomstige) landgoed?